Djogo in Galibi Djogo in Galibi
Het opspattende buiswater van de boot doet de net in Albina gekocht poncho al goed van pas komen. Nadat we ons in de lodge hebben geïnstalleerd, zitten we op het strand onder de palmbomen met onze eerste Djogo van de ondergaande zon te genieten.

De beste tijd om de eierleggende schildpadden te gaan bekijken is wanneer het eb is en hangt dus volledig van het tij af. Ergens hadden we verwacht dat we daarom midden in de nacht op pad zouden moeten, maar we zitten nog na te tafelen als de gids komt melden dat we over vijf minuten vertrekken.

Eieren leggen Eieren leggen
Als we in de boot vertrekken is het nog bewolkt, maar tijdens de vaart breekt het open en heb je in het licht van de volle maan perfect zicht. Het vinden van een schildpad is vrij eenvoudig: wanneer je langs de kust vaart en het lijkt net of er een tank met twee rupsbanden vanuit zee het strand opgereden is, heb je grote kans dat je aan het eind een schildpad tegenkomt. Er zijn drie soorten schildpadden voor de kust van Suriname. De green turtle, Soepschildpad in het Nederlands, is de soort die in februari eieren legt. Met een lengte 1 meter 20 en een gewicht van 250 kg zijn het imposante beesten.

Bij de eerste schildpad blijkt al een andere groep toeristen aanwezig te zijn, dus lopen we over het strand verder. Na al een paar honderd meter komen we de volgende tegen. Deze is nog haar nest aan het graven en we blijven op gepaste afstand wachten tot de met het leggen begint. Tijdens het leggen schijnt het beest in een soort trance te zijn, waardoor ze niet door heeft dat er publiek om d’r heen staat. Je moet wel heel lang geen natuurlijke vijanden gehad hebben als je er zo’n voortplantingsritueel op na houdt. Dat geldt overigens niet voor de jonge schildpadjes. Een volwassen Soepschildpad legt zes à zeven keer per seizoen een nest met 100-125 eieren. Van elke duizend babyschildpadjes bereikt er maar één een volwassen leeftijd. Call that survival of the fittest!.

Als we rond twaalf uur terugkomen bij de logde is iedereen bekaf en is het al snel stil. ’s-Nachts wordt de stilte nog wel een keer ruw onderbroken door een enorme tropische regenbui, waardoor de volgende morgen een mooi zonnetje aan de hemel staat.

Na het ontbijt lopen we met Gilbert de gids door het dorp, waar ongeveer 800 Carib-indianen leven van de visvangst en de toeristen, die de schildpadden bezoeken. Traditioneel had iedere familie, net als in de rest van Suriname, ook een kostgrondje: een stuk land in de jungle waar roofbouw wordt gepleegd. Elke kostgrondje wordt eerst platgebrand en in drie stukken verdeeld: één stuk wordt ingezaaid, van één stuk wordt geoogst en één stuk ligt braak. Wanneer de grond is uitgeput, wordt de hele handel verplaatst. Deze traditie neemt door het verbeterde vervoer en de mobiele telefoon op het moment snel af, steeds meer producten worden aangevoerd en de kostgrondjes worden meer en meer alleen gebruikt voor producten die bij traditionele gelegenheden worden gegeten en gedronken. Het zijn vooral de ouderen die deze vorm van landbouw nog bezigen.

Gieren aan het ontbijt Gieren aan het ontbijt

Op weg terug naar de lodge komen we nog een derde schildpad tegen, maar die is helaas enige tijd geleden al aan zijn eind gekomen. Zo’n veertig gieren hebben er een uitgebreid ontbijt aan.

Meneer en mevrouw Nillson Meneer en mevrouw Nillson
Galibi heeft ook een zoo, die zelfs in verschillende toeristengidsen als zodanig staat aangeprezen. In werkelijkheid staan er ongeveer acht veel te kleine hokken met een aantal typisch Surinaamse dieren, zoals een toekan, capibara, oncelot en een doodsbange uil. Er lopen ook een aantal doodshoofdaapjes rond en ik schrik me rot toen plotseling één ervan zich uit een boom op mijn schouder liet vallen. Van eerdere vakanties heb ik namelijk niet zo’n goeie indruk gekregen van wilde apen, maar gelukkig zijn deze aapjes erg vriendelijk en niet agressief. Het levert een paar leuke plaatjes op.

Rond het middaguur varen we terug naar Albina, waar we na de lunch met de bus terugrijden naar Paramaribo.